Je hebt op dit moment geen paniekaanval. Toch ben je er de hele dag mee bezig.
Wat als het straks weer gebeurt? Wat als ik dan niet weg kan? Wat als niemand helpt?
Die angst voor een toekomstige aanval wordt vaak anticipatieangst genoemd.
De aanval is voorbij, maar je blijft vooruitkijken
Na een heftige ervaring wil je voorkomen dat je opnieuw verrast wordt. Je gaat situaties vooraf beoordelen op risico.
Je denkt bijvoorbeeld na over uitgangen, toiletten, drukte of de afstand tot huis. Voorbereiden voelt dan als controle krijgen.
Het probleem ontstaat vooral wanneer bijna iedere keuze door de volgende mogelijke aanval wordt bepaald.
Je lichaam wordt een waarschuwingssysteem
Je voelt regelmatig of je hartslag rustig is. Je merkt warmte of spanning meteen op.
Die aandacht kan begrijpelijk zijn, maar maakt lichamelijke sensaties ook belangrijker. Lees meer over steeds op je lichaam letten en angst voor lichamelijke sensaties.
Voorwaarden kunnen zich opstapelen
Je gaat alleen mee als iemand naast je zit. Je rijdt alleen als het rustig is. Je gaat alleen naar een winkel als je je goed voelt.
Eén voorwaarde hoeft geen groot probleem te zijn. Maar de lijst kan steeds langer worden.
Kijk daarom eens naar de vraag: wat zou ik doen als ik niet eerst zeker hoefde te weten dat ik geen paniek krijg?
Kies doelen die niet over perfecte rust gaan
“Geen paniek meer voelen” is moeilijk als enige maatstaf. Een concreter doel is: weer zelf boodschappen doen of twintig minuten reizen zonder van tevoren allerlei controles uit te voeren.
Bij vermijdingsgedrag en veiligheidsgedrag lees je hoe zulke patronen kunnen samenhangen.
Behandeling richt zich ook op de tijd tussen aanvallen
Een behandeling kijkt niet alleen naar wat er tijdens paniek gebeurt. De verwachtingen, vermijding en angst voor lichamelijke signalen zijn minstens zo belangrijk.
Lees verder over cognitieve gedragstherapie en exposure bij angst en paniek.