Je gaat nog wel naar de winkel, maar alleen met een fles water. In de trein zit je altijd bij de deur. Je rijdt alleen als iemand naast je zit.
Dit soort gedrag kan bedoeld zijn om paniek te voorkomen of om snel te kunnen ingrijpen. Dat wordt vaak veiligheidsgedrag genoemd.
Veiligheidsgedrag is niet hetzelfde als verstandig gedrag
Een gordel dragen in de auto is gewoon veilig. Medicatie meenemen die je arts heeft voorgeschreven kan nodig zijn.
Het gaat om gedrag dat vooral bedoeld is om angst of een gevreesde ramp te controleren, terwijl je daardoor steeds afhankelijker wordt van bepaalde voorwaarden.
De voorwaarde kan belangrijker worden dan de activiteit
Eerst neem je water mee omdat dat prettig is. Later durf je zonder water niet meer weg.
Dan kan je brein de conclusie trekken: het ging goed omdat ik het water bij me had.
Daardoor krijg je minder kans om te ontdekken wat er gebeurt zonder die extra zekerheid.
Het gedrag kan heel subtiel zijn
Je hoeft een situatie niet helemaal te vermijden. Je kunt ook:
- alleen aan de rand van een ruimte zitten;
- voortdurend je hartslag controleren;
- een vluchtplan maken;
- iemand steeds vragen of het goed gaat;
- alleen op “goede dagen” iets ondernemen.
Lees ook vermijdingsgedrag bij paniekstoornis.
Bouw niet alles tegelijk af
Sommige gewoonten hebben een medische of praktische reden. Bespreek daarom welke gedragingen werkelijk onderdeel van je angstpatroon zijn.
Binnen behandeling kan stap voor stap worden onderzocht welke veiligheid je wilt verminderen.
Op veiligheidsgedrag afbouwen tijdens exposure staat hoe dat binnen een oefenplan kan passen.
Kijk naar wat je denkt dat het gedrag voorkomt
Een nuttige vraag is: “Wat denk ik dat er gebeurt als ik dit niet doe?”
Dat maakt de angst achter het gedrag zichtbaar. Misschien ben je bang om flauw te vallen, de controle te verliezen of niet weg te kunnen.
Daarmee krijg je een concreet onderwerp voor cognitieve gedragstherapie of exposure.