Bij paniekklachten wil je vaak zo snel mogelijk weten wat er aan de hand is.
Toch bestaat een goede beoordeling uit meer dan één symptomenlijst. Een zorgverlener kijkt naar de aanval zelf, de periode ertussen, lichamelijke factoren en de invloed op je dagelijks leven.
De eerste vraag is: wat gebeurde er precies?
Beschrijf hoe de klachten begonnen, hoe snel ze opliepen en wat je voelde.
Vertel ook wat je dacht en deed. Ging je weg? Dacht je dat je zou flauwvallen? Was de aanval onverwacht?
Die informatie helpt om een paniekaanval te onderscheiden van andere vormen van angst of lichamelijke klachten.
Een paniekaanval is niet automatisch een paniekstoornis
Voor een paniekstoornis is een breder patroon nodig.
Terugkerende onverwachte aanvallen en aanhoudende zorgen of gedragsveranderingen zijn belangrijk.
Lees de uitleg bij diagnostische criteria en paniekaanval of paniekstoornis.
Soms is lichamelijk onderzoek nodig
Nieuwe of afwijkende klachten kunnen reden zijn voor lichamelijk onderzoek.
Wat nodig is, hangt af van je leeftijd, voorgeschiedenis, klachten en wat de arts bij onderzoek vindt.
Meer daarover staat bij lichamelijk onderzoek bij paniekklachten.
Vragenlijsten kunnen ondersteunen
Een vragenlijst kan helpen om ernst en verandering te volgen.
Maar een score kan niet zelfstandig bepalen dat je een paniekstoornis hebt.
Lees daarvoor vragenlijsten en de grenzen van zelftests.
De diagnose is ook een uitsluitingsproces
Sommige lichamelijke aandoeningen, middelen of medicatie kunnen klachten geven die op paniek lijken.
Daarom hoort ook die context bij de beoordeling.
Bekijk lichamelijke oorzaken die op paniek kunnen lijken.
Een goede diagnose is geen etiket op één aanval, maar een beoordeling van het hele patroon.
De beoordeling kan in stappen gaan
Niet iedere vraag hoeft in één afspraak beantwoord te worden. Soms volgt eerst uitleg en lichamelijke beoordeling, daarna pas verdere diagnostiek of behandeling. Vraag wat de volgende stap is en wanneer jullie opnieuw evalueren.