Kinderen en jongeren kunnen paniek ervaren, maar vertellen niet altijd: “ik heb een paniekaanval”.
Ze zeggen misschien dat ze buikpijn hebben, niet naar school willen of bang zijn dat er iets met hun lichaam gebeurt.
Kijk naar gedrag én woorden
Een jongere kan drukke plekken vermijden, niet meer alleen slapen of voortdurend een ouder willen bellen.
Dat gedrag kan net zo belangrijk zijn als het aantal momenten waarop iemand duidelijk angstig lijkt.
School kan veel zichtbaar maken
Paniekaanvallen kunnen optreden tijdens lessen, toetsen of reizen naar school.
Vermijding kan daarna leiden tot steeds meer afwezigheid.
Daarom is het nuttig om school niet alleen als stressbron te zien, maar ook als plek waar ondersteuning nodig kan zijn.
Ouders kunnen helpen zonder alles over te nemen
Geruststellen is normaal.
Maar wanneer een kind alleen nog iets durft als een ouder voortdurend bevestigt dat er niets gebeurt, kan afhankelijkheid groeien.
Bespreek met een professional hoe je steun geeft én zelfstandigheid bewaart.
Diagnose vraagt ontwikkeling mee te nemen
Niet ieder angstig kind heeft een angststoornis.
Een zorgverlener kijkt naar leeftijd, ontwikkeling, duur, ernst en invloed op thuis, school en sociale contacten.
Behandeling wordt aangepast aan leeftijd
CGT kan ook bij jongeren worden gebruikt.
Ouders of verzorgers kunnen daarbij betrokken worden, afhankelijk van leeftijd en situatie.
Lichamelijke klachten worden niet automatisch psychisch genoemd
Nieuwe of opvallende lichamelijke klachten verdienen passende medische beoordeling.
Wanneer angst en paniek het dagelijks leven sterk beperken, bespreek dit met de huisarts of jeugdgezondheidszorg.
Lees ook verschillende angststoornissen en behandeling van angststoornissen.